
Mijn naam is Marc VANDERLINDEN. Ik ben geboren in Zoutleeuw op 29 juni 1944. Ik maakte er de laatste oorlogsdagen van ons land mee, alhoewel ik dat op dat ogenblik natuurlijk niet besefte.
Mijn vader werkte als secretaris-
Op zoek naar ander werk en op aanraden van een tweede schoonbroer, destijds al officier bij de Belgische Strijdkrachten in bezet Duitsland, stelde hij zijn kandidatuur voor een job als onderwijzer in de BSD. Een drietal maanden en enige proeven later kreeg hij een telegram van het Ministerie van Openbaar Onderwijs dat hij was aangenomen en zich onmiddellijk op het ministerie in Brussel diende aan te bieden.
Daar vernam hij dat hij binnen de 8 dagen moest vertrekken om een andere leraar te vervangen. Er werd hem ook verteld dat hij was toegewezen aan de Belgische School in NEHEIM, een grote onbekende op dat ogenblik.
Al het personeel voor Duitsland stak in die tijd in een militair plunje. Het onderwijzend
personeel was gelijkgesteld met de graad van lager officier. Hij ontving een battle-
Op 8 mei 1948 stapte mijn vader op de trein richting Tienen, waar hij op de DVT (dagelijkse verlofgangerstrein) moest overstappen. Hij maakte er kennis met nog 6 andere jonge onderwijzers die ook het onbekende tegemoet trokken. In de vroege ochtend van 9 mei kwamen ze aan in Brügge, nabij Lüdendcheid. Daar zetelde toen het hoofdbestuur van het onderwijzend personeel. De dag daarop bracht de baas hem persoonlijk, per jeep, naar Neheim.
Mijn vader zou er op dat ogenblik de enige Nederlandstalige onderwijzer zijn, naast 2 Franstalige. Met een klas van 15 leerlingen, verdeeld over de 6 studiejaren en allen samen in 1 leslokaal.
De huisvestingsdienst van het Belgische leger had gezorgd voor een voorlopig onderkomen, een kamer bij fotograaf STOLL aan de “Lange Wende 4”. Voor zijn eten moest hij in de mess van de officieren zijn.
Na veel aandringen had hij uiteindelijk een woonst gekregen in de Ordensmeisterstrasse 17, waar nogal wat opknapwerk moest uitgevoerd worden.
Midden augustus was de woning bewoonbaar, na zelf de handen uit de mouwen gestoken te hebben. De rest van de familie, mijn moeder, mijn jongere broer van 1,5 jaar en ikzelf 4 jaar, konden nu vanuit België overkomen. Met een militaire vrachtwagen werd al onze bagage, verpakt in een zestal genummerde kisten, samen met een inventarislijst voor de douane, naar Neheim vervoerd.
Wijzelf gingen met de militaire DVT met alleen het hoogstnodige bij ons voor de eerste
dagen. De vrachtwagen zou er immers 2 à 3 dagen over doen, vanwege de zeer slechte
staat van de wegen zo kort na de oorlog.
Rond 21 september 1948 brak er echter een moeilijke periode aan voor mijn moeder. Ze was hoogzwanger toen ze naar Duitsland kwam en de bevalling zat eraan te komen. Deze had plaats in de Duitse kliniek (St Johannes Hospital) in Neheim. Hier werd toen mijn oudste zuster Danielle geboren.
Mijn moeder lag er op een gemeenschappelijke kamer, samen met Duitse vrouwen. Gezien ze de Duitse taal nog niet machtig was, was er van enige conversatie weinig of geen sprake.
Dagelijks kreeg ze bezoek van een Belgische legerdokter, die speciaal vanuit het militaire hospitaal van Soest overkwam. Het eten werd 3 maal daags gebracht vanuit de Belgische mess van officieren. Na 8 dagen mocht ze naar huis.
Geen dag te vroeg, want de Duitse meid die ons door de legerstaf was toegewezen, bakte er niets van. Na een paar dagen werd ze vervangen door een andere en kregen we er ook nog een 2de meid bij, speciaal om zich met de 3 kinderen bezig te houden. Deze Duitse meisjes werkten graag bij Belgische families. Ze werden er goed voor betaald door de Duitse overheid en wat hen vooral aantrok was het eten. In die periode hadden de Duitsers het niet onder de markt, met toen nog bijna lege winkels en dus onvoldoende eten, vele malen herstelde kledingstukken en een slechte en/of krappe huisvesting.
Een van onze eerste meiden was een vluchtelinge uit de oostzone, en woonde in Hüsten. Ze kon zeer goed met ons om en kon daarbij nog goed koken ook. Haar naam: Anny Jura.

Haar man was op dat moment nog krijgsgevangene van de Russen. Tot 2002 hebben we nog contact met haar gehad. In de loop der jaren waren we haar uit het oog verloren. Via een artikel met foto in de plaatselijke krant “Westfalenpost”, waarop een paar van die meiden die nog in Neheim woonden reageerden, konden we haar terugvinden. We hebben haar zelfs nog bezocht in haar woning nabij Bonn, waar ze nu woont.
In 1998, ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van mijn moeder, hadden we
een reünie in het Dorinthotel in Neheim. Daar waren 3 ex-
Zoals er door de Belgen niets betaald moest worden voor deze meiden, moest er ook
niets betaald worden aan huishuur, water-
In het huis in de Ordensmeisterstrasse woonden we amper 6 maanden. Het was eigenlijk
te klein voor een familie met 3 kinderen en 2 inwonende meiden. Begin 1949 verhuisden
we dan ook naar een grotere woning op de Neheimerkopf nr. 7, gelegen tegenover het
hotel Sonnenschein, toen nog een hotel-
Deze huizen, die oorspronkelijk aan Duitsers toebehoorden, waren in de loop van 1945 opgeëist door het Amerikaanse leger. De bewoners hadden 1 uur de tijd om wat spullen in te pakken en hun huis te verlaten, met achterlating van hun meubels. Eerst waren er Amerikaanse officieren in gelegerd, daarna werden de huizen overgedragen aan het Engelse leger en in 1948 uiteindelijk aan het Belgische bezettingsleger.
Onze school was gelegen aan de Lange Wende in een klein parkje met veel bomen. Er was ook een voetbalveld gelegen in dat park. Het was een soort kasteeltje in donkerrode baksteen, maar helemaal niet geschikt als schoolgebouw. Er waren een aantal klassen voor de Franstaligen op het gelijkvloers, de Vlamingen zaten op de eerste verdieping. Op zolder woonde er ook nog een Duitse conciërge, Alex Stedeli, met zijn gezin.
Hijzelf was oorlogsinvalide. Als kinderen hadden wij dagelijks contact met hem, speelden
we zelfs met zijn kinderen en iedereen kon er goed mee overweg. Als jonge kinderen
leerden we al vlug de Duitse taal, van onze meid en van de andere kinderen waarmee
we soms speelden op straat.
Een militaire bus haalde de schoolkinderen aan de voordeur op en bracht hun tegen de middag ook weer terug thuis. In de namiddag gebeurde hetzelfde. Soms gingen we ook wel eens te voet, want de school was maar een paar kilometer van huis en er was toen heel wat minder verkeer dan nu.
Mijn broer en zuster gingen zelfs, bij gebrek aan een Belgische kleuterschool, meer
dan 1 jaar naar een Deutsche Kindergarten, gelegen in de Michaelstrasse. Deze was
ondergebracht in een houten keet.
Van taalproblemen tussen Vlamingen en Franstaligen was er geen sprake. Op de speelplaats en ook daarbuiten spraken we gewoon Duits onder elkaar.
De militaire diensten waren eveneens ondergebracht in een aantal van de Duitsers opgeëiste gebouwen. De kazerne was gevestigd in het toenmalige Gymnasium in de Goethestrasse.
De CMC was gevestigd in een groot winkelpand op de hoek van de Goethestrasse en de
Neheimer Markt.
Een militaire bus kwam dagelijks de Belgen aan hun woonst ophalen om hen naar het stadscentrum te brengen en wachtte daar achter de kerk totdat iedereen zijn boodschappen gedaan had. In de CMC waren alle bekende Belgische producten aanwezig. Er was zelfs bijna dagelijks aanvoer van verse groenten. Het brood kwam uit een militaire bakkerij.
In de Goethestrasse waren ook de post, de mess van de officieren, de cinema en vanaf 1951, de school ondergebracht, ditmaal met een Belgische kleutertuin. De medische dienst zat in een woning in de Schillerstrasse.
De militaire kapel was gevestigd in de Goethestrasse, in een houten barak. Deze was groen geschilderd en lag naast het hoekhuis met de Schillerstrasse, waar de aalmoezenier woonde.
Destijds was dat aalmoezenier NOBELS, die nog deel had uitgemaakt van de Brigade
Piron en met de Belgische troepen in 1944 in Normandie aan land was gekomen. In deze
kapel deed ik, net als vele andere kinderen, mijn eerste kommunie. Ik was er ook
verschillende jaren misdienaar.
De onderofficieren en hun familie woonden voornamelijk in de buurt van de Blumenstrasse en de Schillerstrasse en ook nog verspreid in burgerwoningen in het centrum van Neheim.
Neheim was ook het hoofdkwartier van de eerste infanteriedivisie. Er was dus een
generaal met zijn staf. Ook was er het krijgsauditoriaat gevestigd in een park op
de hoek van de Schwester-
Wie kent niet het Hotel Sonnenschein op Neheimerkopf. Destijds was het al een hotel,
dat nog werd uitgebaat door Duitsers. De logees waren bijna allemaal Belgen. Pas
aangekomen officieren konden er logeren totdat ze een woonst toegewezen kregen. Ook
logeerden er zeer regelmatig Belgische variétéartiesten, die op regelmatige basis
optraden in de cinema Apollo, in de Goethestrasse. Zo passeerden er onder andere
Bobbejaan Schoepen, Hans Flower, La Esterrella en vele anderen. Ook was in dat hotel
een Belgische protestantse kapel gevestigd.
Verderop aan de Neheimerkopf, op de hoek met de Schüngelstrasse, stonden er een paar
houten barakken waarin een 50 tal Duitse families woonden, allen vluchtelingen of
ontheemden. Er waren veel kinderen bij. Met deze kinderen speelden wij regelmatig
in de omliggende bossen. Het leren van de Duitse taal was voor ons dan ook kinderspel.
Deze barakken waren er in 1943 door de Organisation TODT neergezet om tijdelijk de
gespecialiseerde arbeiders te herbergen die aan de herstelling van de Möhnedam werkten,
nadat deze op 17 mei 1943 door de RAF was gebombardeerd.
Als kind hadden wij een prachtige tijd in Neheim. De sneeuw lag er vaak tot 6 weken
lang en soms wel tot kniehoogte. Met de slee konden we naar hartelust spelen. We
vertrokken aan een klein heuveltje, waar nu de Apothekerstrasse loopt en konden dan
in één ruk afdalen, dwars over de Neheimerkopf en via de Schobbostrasse tot bijna
aan de kruising met de Graf-




Soms gingen we ook met de hele school en onder begeleiding van de leraren met de
slee de helling aan het Waldhaus-
Met de school gingen we ook al op regelmatige tijdstippen zwemmen in het overdekte zwembad van Arnsberg. Een militaire bus bracht ons er dan naartoe. Het was een groot en oud zwembad. Dit is afgebroken en vervangen door een nieuw gebouw in het centrum. In de zomer gingen we soms zwemmen in het “Freibad”, gelegen aan de Rhur (onderaan de helling van het Dorinthotel). Daar was ook een voetbalveld waar we vele uren hebben doorgebracht met de schooljeugd.
Wat in die na-
In 1950 kocht mijn vader voor 2.000 BF van aalmoezenier Nobels een STOEWER, bouwjaar
1935.
Een pracht van een auto met lederen zetels en een linnen plooidak. Hij slikte wel 20 liter benzine per 100 km, maar die was destijds voor ons Belgen spotgoedkoop. Aan de militaire benzinepomp kostte de benzine amper 1 frank per liter. Deze pomp was gelegen in een opgeëiste garage aan de Lange Wende.
In 1951 moesten we hem reeds van de hand doen wegens technische problemen en kochten toen een blauwe VW kever.
Ondertussen werd er ook druk gebouwd in en om Neheim. Een volledig nieuwe kazerne
voor de Belgische troepen werd opgetrokken in de bossen aan de Möhnestrasse. Deze
kazerne kreeg de naam “Camp LOQUET” en werd in 1954 plechtig ingehuldigd. Alle Belgische
diensten, tot dan toe verspreid over de gehele binnenstad van Neheim, werden er in
ondergebracht. De in beslag genomen Duitse gebouwen werden aan hun vroegere eigenaars
teruggegeven.
Voor de families van de beroepsmilitairen werd er een volledig nieuwe woonwijk gebouwd in de bossen boven de Neheimerkopf.
De Apothekerstrasse werd verlengd en tot in het bos doorgetrokken.
Een paar honderd appartementen en woonhuizen werden er gebouwd en ook een school. De school “Gabrielle Petit” moest weer eens verhuizen.
Om die woonwijk te kunnen bouwen werd een groot gebied ontbost. Nadat de bomen waren
omgezaagd en weggehaald bleven er natuurlijk de boomstronken in de grond achter.
Omdat deze bossen al een paar jaar ons geliefkoosd speelterrein waren, was het vanzelfsprekend
dat we ook present waren bij
het
weghalen van deze boomstronken. We mochten daarbij zelfs helpen. Nu moet je weten
dat dit gebeurde met springstof. Er werd met een lange ijzeren staaf een diep gat
gemaakt onder de stronk. Daarin werden dan 3 à 4 patronen dynamiet gestoken met een
lont eraan en het gat werd terug dichtgestopt. Als jonge knaap van 9 jaar stonden
we daar natuurlijk met volle aandacht naar te kijken. Nadat er zo'n 5 à 6 stronken
voorzien waren van springstof mochten we, van een rode vlag voorzien, een 100 meter
achteruit gaan. Daar moesten we met onze vlag iedere voorbijganger tegenhouden. De
ploegbaas blies dan een eerste maal op een hoorn. Bij de
tweede maal werden de lonten
door hem aangestoken en er volgden een paar seconden later een aantal enorme ontploffingen,
waarbij het hout en de stenen in het rond vlogen. De stronken lagen dan bovenop de
grond en werden later door een paardenspan verder losgetrokken en op een hoop gegooid.
Daar werden ze dan in brand gestoken. Deze vuren konden soms dagenlang branden. Het
spreekt voor zich dat wij onze ouders toen niet vertelden waar wij mee bezig waren,
want dan zou er snel een einde aan gekomen zijn.
In juli 1953 werd mijn jongste zuster, Martine, geboren. De bevalling had plaats in ons huis aan de Neheimerkopf.
De witte kerk met zijn 2 vierkante torens van de Evangelische Kirche, gelegen aan het ronde punt van de Ehmsenplatz, heb ik ook nog weten bouwen en inwijden. Het was toen groot feest in heel Neheim. Aan de andere kant van de weg was er toen een grote steenbakkerij gevestigd. Hun grondstof haalden ze uit een, voor ons toen zeer diepe put naast de steenbakkerij. De hoge fabrieksschouw was zichtbaar op veel oude foto's van Neheim. Ze stond een beetje krom en werd daarom door de kinderen de “scheve schouw” genoemd.
Omdat ik in de klas van mijn eigen vader zat en ik daar te veel van profiteerde,
stuurden ze mij naar de Belgische school in Werl. Deze school was gelegen in de kazerne.
Iedere dag ging ik er s`morgens naartoe met een Duitse lijnbus, die ik nam in de
buurt van de kerk. In Werl stapte ik af aan het station en ging dan te voet naar
de kazerne. Om 16 uur ging ik dezelfde weg in omgekeerde richting. En dan te bedenken
dat ik amper 10 jaar oud was.
In november 1955 verhuisden we naar Euskirchen, waar mijn vader maar les diende te geven aan 1 studiejaar. Het jaar daarop ging ik naar de middelbare school: op internaat in Rösrath.